Een lange gestalte staat hijgend en zwoegend in de gang. Aan beide zijden van de gang is een leuning gemonteerd. Alleen bij deuropeningen is er een onderbreking. Pim heeft zijn handen om het ronde hout geklemd. Zijn lichtgrijze joggingbroek zwabbert om zijn magere benen. Door zijn lengte moet hij zich iets vooroverbuigen om goed grip te krijgen. Hij trekt uit alle macht. De technische dienst heeft dit varkentje waarschijnlijk al vaker gewassen, want er komt geen millimeter beweging in de gang-reling. Maar ook voor Pim is het een vertrouwde, terugkerende uitdaging. Hij weet niet van opgeven. Het is nu de vernuftigheid van de technische dienst tegen de brute mankracht van deze lange gentleman. Want een gentleman is het zeker. Hij is directeur geweest van een eigen onderneming en altijd gewend geweest voor groepen te spreken en lastige vergaderingen te leiden. Nu stelt hij zichzelf in zijn joggingbroek voor een andere uitdaging: het loswrikken van een houten leuning. Zijn verbale kwaliteiten helpen hem nu niet. Hier moeten andere krachten worden aangesproken. Zijn gezicht loopt steeds roder aan. Zijn spieren spannen zich tot het uiterste.

Ik deponeer mijn spullen discreet in een hoekje waar niemand erover kan struikelen. Zonder mijn ogen van Pim af te wenden loop ik naar hem toe. Als ik vlak naast hem sta, leg ik mijn handen op dezelfde manier om het ronde houtvlak en begin mee te zwoegen. Pim gaat zo op in zijn karwei dat hij me niet eens opmerkt. Ik concentreer me nog meer op de zware klus en begin zacht wat puffende geluiden te maken. Nu heeft Pim zijn medestandster door en meteen laat hij zijn handen langs zijn zij vallen. Ik kopieer hem onmiddellijk. Tegelijk zakken onze schouders omlaag, moedeloos kijken we elkaar aan. Ik slaak een diepe zucht. Uit de grond van mijn hart zeg ik met een smachtende blik: ”Heeft u óók zo’n zin in koffie?”. Meteen verandert zijn gezichtsuitdrukking. Hij glimlacht en verzucht: ”Ja, nou!”. Meer woorden hoeven we er niet aan vuil te maken. Onze armen haken in elkaar en met een vaartje lopen we door de gang.

Door het raam heb ik in de gauwigheid gezien dat er in één huiskamer geen bewoners zitten, een perfecte plek om even bij te komen van de bovenmenselijke krachtsinspanning. Ik zwaai  de deur open, maak een diepe buiging en met alle egards spreek ik hem toe: ”Meneer, entrez”. Meneer laat het zich welgevallen en treedt binnen. Een stoel aanbieden heb ik bij hem allang afgeleerd. Het werkt enkel averechts. Hij moet niks van dwang of betutteling hebben. Ooit probeerde een verzorgende hem in een zithouding te manoeuvreren. Niets werkte. Pim begreep niet of wilde niet of allebei. Ik zou wel even helpen. Met lichte druk tegen zijn heup probeerde ik hem achterwaarts te bewegen. En ineens was het mis. Hij keek me intens teleurgesteld aan, alles aan hem hing om het hardst, zijn hoofd, zijn schouders, zijn armen en handen, zelfs zijn knieën zakten door. Een aanblik van diepe moedeloosheid. In een flits sprak ik mezelf toe: ”Wiens behoefte is het hier dat Pim gaat zitten?”. Meteen heb ik hem mijn welgemeende excuses aangeboden die hij met net zoveel oprechtheid aanvaardde. En daarmee was de kous voor hem af. Bij mij werkt hij nog dagelijks door.

Met deze wijze les in het achterhoofd merk ik enkel op: “Kijk toch eens, een hele tafel voor ons alleen”. Ondertussen zet ik twee bekers drinken voor ons neer. Ik plof demonstratief op een stoel, pak m’n gitaar en begin te zingen. Pim neemt een slokje en leunt op de tafel. De stoel die voor hem staat, negeert hij gemakshalve. Hij begint de muziek op te merken en langzaam keert zijn blik naar binnen. Hij laat het tafelblad los, kijkt in de verte, voelt met zijn handen de stoelleuning en opeens volgt vanuit een automatisme van voorheen de volgorde van de bewegingen: stoel naar achteren – eromheen lopen – erin gaan zitten. Nu heeft ook hij z’n plek gevonden. Ontspannen leunen we achterover.

Steeds meer werkt de muziek en zang op ons in. Zachtjes begint Pim mee te neuriën. Hij, die ooit zo muzikaal was, zelfs verdienstelijk viool speelde, moet nu zoeken naar de juiste toonhoogte. Hij zingt graag tweede stem wat tot voor kort moeiteloos lukte. Nu zwabbert zijn stem om de melodielijn heen, net als zijn joggingbroek om zijn benen. Alle aandacht richt hij op het afstemmen van zijn klanken: iets omhoog, iets omlaag. Hij zoekt, probeert, laveert, octaveert. Ook nu is hij volhardend. Ik vereenvoudig de muziek tot twee akkoorden op de gitaar en improviseer erbij met stem, harmonieuze klanken die prettig in het gehoor liggen. Pim heeft volledige focus. Zijn gezicht is ontspannen, geconcentreerd. Hij geniet. Ik geniet. Onze klanken vermengen zich, het lage mannengeluid en de hogere vrouwentonen glijden langs elkaar heen, vloeien samen en gaan weer uit elkaar. Het lijkt wel een dans met onze stemmen. De tijd vliegt. Voor we het weten zijn we een uur verder! Moeiteloos! We smeren onze kelen met vruchtensap en water.

Krachtsport was niet aan ons besteed. Acrobatiek op stemgebied gaat ons duidelijk beter af. De technische dienst is misschien expert op leuninggebied. Maar wij leveren een technisch hoogstandje op muzikaal vlak. En genieten er nog van op de koop toe.